Deze mannen hadden hunne benoeming allen ontvangen van de bisschoppen, wettige bestuurders der Vaderlandsche kerk en toonden hoever zij er van verwijderd waren om de godsdienst tot iets anders te doen dienen dan tot bevordering van liefde, vrede en orde, terwijl zij de belangen van het vaderland op het oog hadden. Helaas! Daar waren vreemde zendelingen ingedrongen, vooral Jezuiten, die maar al te veel den waren geest der Katholieke kerk miskenden. Zij zeiden te ijveren voor het belang der Kerk, maar hadden meer het plan om het getal van leden dan het heil der zielen, meer het wereldsche gezag van het Roomsche hof, dan het geestelijk gezag van Christus te behartigen. De oude instellingen der H. Kerk trapten zij met den voet. Tegen het Bisschoppelijk bestuur, dat altijd voor de Katholieke Kerk noodig was gekeurd, verzetteden zij zich en stookten zij de scharen op. “In Nederland zijn er geene Bisschoppen noodig, hier kunnen zij worden gemist”, zoo was hunne leuze, omdat zij zelven wilden heerschen en een echt Nederlandsch, Christelijk bisschoppelijk bestuur hun in hunne wereldsche oogmer-ken hinderde. Om des te beter te slagen, verkondigden zij eene leer, die in ons vaderland nooit door Bonifacius gepredikt was, die in schriften van Nederlandsche godsgeleerden als Geert Groote, Thomas à Kempis, enz. te vergeefs wordt gezocht en in het concilie van Trente zelfs niet geleerd wordt: de leer van ’s Pausen volstrekte opperhoofdigheid en onfeilbaarheid. De dwaaste fabelen, in ons land onbekend, werden opgedischt, en de vereering der H. Maagd Maria werd tot eene hoogte opgevoerd, waarvan volgens de geschiedenis, de Nederlandsche Katholieke Kerk vroeger geen denkbeeld zich maakte. Uiterlijke vormen, die de H. Kerk noodig keurt, om daardoor den Heiligen Geest van haar Hoofd, den Heere Jezus Christus, aan menschen te doen kennen, aan te prijzen en in de harten te doen leven, werden nu voor de hoofdzaak gehouden, al ontbrak ook het wezen der inwendige godsvrucht geheel. Wie trouw was in het vleijen en dienen van de geld- en heerschzucht der oproerige zendelingen, werd door hen erkend en behandeld als de opregtste zoon en dochter van die Heilige Kerk, welke heiligheid verlangt bij hare kinderen. Is het wel vreemd dat de mannen, die Aalsmeer dienden, zich krachtig aankantten tegen zulke nieuw-roomsche dwalingen en daartegen de echt Apostolisch Katholieke Kerkleer op den voorgrond stelden? Het scheen echter dat het goede zaad, hier uitgestrooid, geheel vertreden zou worden, toen Paus Clemens XI, in 1701, eigenmagtig, zonder de regelen der H. Kerk te gehoorzamen, openlijk de partij der Jezuiten koos en den godvruch-tigen Utrechtschen Aartsbisschop Petrus Kodde, – als ware de Nederlandsche Bisschop een knecht en niet een broeder van den Bisschop van Rome, – aan hen opofferde. Naauwgezetheid van geweten verbood hem onder anderen, om den eed te doen, dat een vijftal stellingen, door Paus Alexander VII veroordeeld, – in het boek van Corn. Jansenius: Augustinus zouden zijn geleerd. Hij noch iemand kon ze daar vinden. Maar dat werd door hen, die de dwaalleer van des Pausen onfeilbaarheid uitvonden hem nu als Jansenisme toegere-kend. Niet minder dan 300 Pastoren en Priesters in de Nederland-sche Kerk hadden in 1701 nog wel de zuiverheid van leer van den Aartsbisschop betuigd en met hun handschrift onderteekend, aan wier hoofd wij den vroegeren Pastoor van Aalsmeer, toen Provicaris van Utrecht en Deventer, Jacob Kats, aantreffen. Het baatte niets om den Paus van zijnen verkeerden weg terug ter houden. De eerbied, de gehoorzaamheid, de liefde, den vromen Aartsbisschop door zoovelen van de voortreffelijkste en geleerdste Priesters getoond, werden niet geacht. Jezuiten, Minderbroeders en Bedel- monniken waren als lasteraars opgetreden, en van hun nieuwe dwaalleer wachtte een Paus van Rome meerder heil voor de Katho- lieke Kerk dan van die inheemsche geestelijken, die tot hem kwamen met de verklaring:

Het oud geloof van den H. Petrus, door de H. Bisschoppen Willibrordus en Bonifacius geleerd en ontvangen, ontvangen en prediken wij, en dat wy de veilige onwrikbare leer van den H. Augustinus en Thomas niet door twistzugt, maer tot stig-tich der godvrugtigheid voor dragen, kan alleen misschien voor nieuwigheid by eenige onser tegenstrevens geagt worden.

Deze oude leeringen werden nu voor ketterij verklaard, en de vloek op bijbellezing en godsvrucht gelegd en bijgeloof als echt Katholieke waarheid verkondigd.

Gold dit woord van een Paus veel bij onkundigen en oppervlakkigen – en konden de Jezuiten nu hierdoor gesteund, veiliger hunnen weg gaan, zoodat allengs de meesten hun aanhingen, en afvallig werden van hunne oud-Katholieke geestelijken – te Aalsmeer bleef men getrouw aan de oude waarheid. “Het volk, gewend aan de zuivere wateren van Gods Woord en Kerkleer,” kon “in touwen en koorden, fabelen en bygeloovigheden” geen heil vinden. De waardige Pesser, die ook het verdedigschrift geteekend had, ging steeds als een trouwe herder hun voor. De vertaling van de Evangeliën, door zijnen vriend, den geleerden Priester Andries v.d. Schuer, in 1689 in het licht gegeven, en straks door die der overige schriften des N.T. gevolgd, werd hier trouw gelezen. En dat dit Woord gelezen werd en begrepen, mag blijken uit de standvastigheid, die later de gemeente openbaarde, toen men het haar poogde te ontwringen.

Het ongehoorde en ongeloofelijke is geschied. Een Paus, Clemens XI heeft zich zoo ver van het spoor laten voeren, dat hij in 1713 een banvloek heeft geslingerd over de stelling: dat de H. Schriften aan allen ter lezing moeten worden aanbevolen. Maar waren er maar al te velen die dat woord eens Pausen stelden boven Gods Woord – de Pastoor Pesser met zijne gemeente weigerde kloekmoedig deze goddeloze bul des Pausen, onder den naam Unigenitus berucht, aan te nemen. Al werden zij ook om deze hunne weigering met scheld- namen vervolgd, zij droegen dat liever dan met anderen dadelijk hunnen bijbel digt te sluiten, om als blinden zich door Rome’s willekeur te laten leiden.

Van de liefde voor Gods woord en eene zuivere godsdienst getuigen ook de door Pesser bewerkte Psalmen en Hymnen onder den titel van Lieve Telim d.i. Lovingen Gods of Lofzangen van David, gedrukt te Amsteldam bij Gerhardus van Blommen 1725, zonder naam van maker of jaar, gedrukt op kosten van den auteur. Hierachter is een tweede deel gevoegd in 8vo, dat berijmde navolgingen van de verschillende hymnen der Katholieke kerk behelst. Van dit werk zijn zeer weinige exemplaren overig, daar de drukker, kort voor zijnen dood, toen hij nog genoegzaam al de exemplaren onder zich had, een brand op zijnen zolder kreeg, die alles verteerde. In de Oud Katholieke pastory te Aalsmeer vindt men een handschrift van het eerste en een gedrukt exemplaar van het tweede deel. – Daarenboven was pastoor Pesser een groot vriend van den H. Augustinus. Thomas van Kempen’s werk, De Navolging van Christus dat hij dagelijks las, werd door hem in schoone latijnsche verzen overgezet. De vertaling in Hollandsche verzen van de psalmen des O.T. en van de hymnen der Katholieke kerk, getuigt mede van den prijs die hij er op stelde, dat deze liederen niet slechts in het Latijn gezongen, maar in de Hollandsche taal mogten worden gekend en tot rijkeren zegen aangewend.

Pastoor Pesser stierf den 23 Maart 1730, en werd opgevolgd den 2 April 1730 door den Eerw. Herman Theobald Poringo, die in 1742 werd aangesteld tot pastoor te Utrecht. Na hem werd hier gezonden Judocus Theodorus Hiegaertz, in Augustus 1744, gestorven 14 October 1748; deze beide voortreffelijke mannen waren vroeger als kapellaans te Hilversum werkzaam. De eerste was president geweest van het collegie: de Houterlee, de tweede onderregent van het collegie: de Lis te Leuven. Om hun verzet tegen formulier en bulle ontzet, dienden zij later de Hollandsche kerk met hunne talenten.

Joh. Petrus Hoddé was hier tot aan het jaar 1756; wanneer hij vertrok om als pastoor te Amsterdam te arbeiden. Als een der vertegenwoordigers van de Haarlemsche geestelijkheid was hij op het concilie van Utrecht in 1763.

Johannes Augustinus Verlem, tot het jaar 1787 toen hij verplaatst werd naar den Helder, om vervolgens te Amsterdam werkzaam te zijn.

Johannes Smal tot 1796; hij vertrok naar Amsterdam, als pastoor, en stierf als rustend herder te Krommenie 25 Oct. 1833.

Johannes Bon van 1 November 1796 tot 11 November 1802. Hij vertrok van hier naar Haarlem en mogt van den 25 Mei 1819 tot 25 Junij 1841 zich de waardigheid van Bisschop van Haarlem zien toevertrouwd. De Herderlijke onderrigting en vermaning door Z.H.W. bij zijne verkiezing en inwijding aan alle Katholieken van zijn Bisdom, in het licht gegeven, kan nog getuigenis afleggen van den verlichten, vromen Nederlandschen geest waarin hij werkzaam is geweest. Opmerkelijk is het dat deze door den Paus niet is geëxcommuni- ceerd geworden, en daarin alleen gelijk staat met den Bisschop van Deventer, Bijeveld. Dat dit niet geschied is, was aan de bemoeij- ingen der Nederlandsche Regering te danken, die toen met Rome in onderhandeling was getreden, maar mag te gelijk dienen als een bewijs hoe de banvloeken, vroeger en later tegen zijne ambtgenoo- ten, voorgangers en opvolgers in de Oud-Katholieke Kerk van Nederland geslingerd, enkel gegrond zijn in de willekeur en wereld- sche heerschzucht van Rome’s hof, en volstrekt niet in eene heilige overtuiging dat hier een doemwaardige afwijking van de Katholieke Kerk zou geleerd worden.

Wilhelmus Buijs van 2 December 1802 tot 16 September 1808;

Johannes Rotteveel 10 Februarij 1809 tot Mei 1828. Hij vertrok van hier, en hoe hoog zijne bekwaamheden stonden aangeschreven, bewijst zijne benoeming tot president van het R.K. Seminarie te Amersfoort; later werd hij aangesteld als pastoor van de Laurents- kerk te Rotterdam, alwaar hij stierf 13 Maart 1849;

Johannes Baas 12 Junij 1838, die heden aldaar pastoor is, en den geest der vaderen bij de gemeente tracht aan te kweeken.

Oud-Katholieke Kerk Aalsmeer

Contactgegevens


Oud-Katholieke Kerk Aalsmeer
Parochie van de H.H. Petrus en Paulus
Oosteinderweg 394
1432 BG Aalsmeer